Verboden Vruchten

De stoel is warm en zacht. Ongewoon voor een bioscoop, denk hij. Maar ja, hij is al in geen jaren in zo’n zaal geweest. Jaren illegaal downloaden van films en series hebben hem nooit de behoefte gegeven een kaartje te kopen.

Maar zij wel, Belle. Vriendin. Ze zijn een maand of vijf samen. Hij kijkt naar haar en ziet hoe het flikkerende licht van het filmdoek de zachte vormen van haar gezicht accentueren. Ze kijkt naar hem en het licht weerkaatst in haar donkerblauwe ogen. Hij laat zijn ogen langs haar lichaam glijden. De contouren van haar decolleté. Haar borsten gevangen in een modieuze blouse van de Zara.

Zij is veel te jong voor hem, dat weet hij. Maar sommige gebeurtenissen in het leven heb je nu eenmaal niet in de hand. Liefde bijvoorbeeld. Of dood. Zijn vrouw, Myryam, is drie jaar geleden overleden. De liefde van zijn leven heeft de strijd tegen een ziekte die niet te genezen is verloren. En Belle is langs gekomen. Om voor haar te zorgen. En hem te ontzorgen. En Belle is gebleven. Vaker. Langer. En na het overlijden en een periode van intens verdriet is Belle blijven slapen. “Ze is een verboden vrucht, kerel. Alleen maar kijken, niet aanraken,” hebben zijn ze vrienden in koor gezegd.

Maar de zon is weer toen weer gaan schijnen. Niet meer zo uitbundig, maar toch. Hij voelt hoe haar vingers zijn vingers omhelzen. Hij kijkt naar het filmdoek en ziet een tekenfilm. Een man op een eiland. Met een rode schildpad. Belle houdt van kunst en hij heeft deze film uitgekozen. Niet omdat de film hem zo aanspreekt, maar omdat het lekker kort duurt. Negentig minuten.

De zaal is halfvol en iedereen kijkt geconcentreerd hoe het verhaal zijn einde nadert. De aftiteling begint en hij wil opstaan. Belle houdt hem tegen en fluistert dat ze toch echt de aftiteling wil zien. “Om de sfeer van de film helemaal de mijne te maken,” fluistert ze in zijn oor. Hij glimlacht en laat zich terug zakken in het rode pluche.

Langzaam gaan de lampen aan en het publiek slentert naar de uitgang. Zij loopt voor hem en hij ruikt haar subtiele parfum. Hij snuift haar verleiding en hij verlangt naar haar naakte zachte lichaam. Hij denkt aan de woorden van Joost Zwagerman: mijn tong trekt lijntjes langs je lippen, totdat ik mij zachtjes vastzuig aan waar jij het liefste wil.

In de lobby laat ze hem los en loopt achter de andere dames naar het voor hun ingerichte toilet. Eindelijk, denkt hij, eindelijk kan ik naar buiten. De draaideuren brengen hem in de koele april avondlucht. Trillend glijdt zijn hand in de rechter jaszak en haalt het pakje tevoorschijn. Het donkerblauwe pakje met de helm en vleugels. Behendig brengt hij het naar zijn mond en haalt er zijn papieren vriend eruit. De sigaret. Het ultieme nicotine verslavende genot waar hij de hele avond zo naar verlangd heeft. De aansteker brengt het uiteinde in vuur en vlam. Hij inhaleert diep en zuigt de nicotine naar binnen. Door zijn mond, zijn keel. Zijn lichaam. De rust keert weer, het verlangen is voor even gestild. Als we het over verboden vruchten hebben, dan is dit er zeker één, denkt hij tevreden.

Parabel

Het DorpDe plaggenhutten, een tiental in totaal, staan in een cirkel rond de waterput. Buiten de kring staan twee gebouwen met varkens en koeien. Op de graslanden buiten het dorp, grazen de schapen. In het dorp wonen ongeveer 30 mensen. Vrouwen, mannen en kinderen.
In tegenstelling tot andere dorpen is er geen kerk. De omgeving zit het dorp als duivels vol heidenen.
De meeste inwoners werken op het land, een enkeling heeft een kleine winkel en verkoopt er levensmiddelen. De landheer is de baas van het dorp, Evermoed is zijn naam, de bewoners zien hem bijna nooit en zijn bewind wordt waargenomen door twee mannen: Wisent en Muloc. Ook zij wonen in het dorp, maar hebben geen vrouw. Die hebben hen verlaten. Gefrustreerd brengen Wisent en Muloc hun dagen door. Ze zijn gekrenkt en hebben een hekel aan een ieder die het, in hun ogen beter hebben, dan zij. Omdat de landheer zich weinig laat zien is hun macht aanzienlijk. Hun oordeel is wetgevend.

In de loop der jaren zijn er gezinnen vertrokken uit het dorp om hun geluk elders te beproeven. Vaak is de reden van hun vertrek nooit verteld, alhoewel het onderling kletsen geliefd is. Maar het leven in het dorp is goed. De mensen respecteren elkaar en elk seizoen is er een markt met feest, muziek en drank.

Palmerijn woont al vele jaren in het dorp. Het werk waarvoor hij gevraagd is doet hij met liefde: de stront van de koeien schept hij uit de sleuven, de kalveren haalt hij met liefde uit de zwangere koeien, de stieren pakt hij bij de horens. En de koppen van de varkens hakt mij met bruut geweld eraf, om vervolgens de ingewanden uit hun warme dode lijven te halen. Soms vragen Wisent en Muloc om hun schoenen te poetsen, hun kleren te wassen. Palmerijn doet het. Geen gemor, geen gezeur. Lachend brengt hij de dag door.

“Wat zijn je ambities?” vraagt Muloc op een gegeven ochtend, terwijl het warme bloed van het varken door Palmerijn’s handen glijdt.
“Ambities? Gelukkig zijn, een leven lijden buiten het werk wat ik doe,” antwoordt hij naar waarheid. Muloc fronst zijn wenkbrauwen en kijkt naar Wisent, zijn loopjongen. Smalend lacht hij. “Gelukkig zijn, pff,” zucht hij en snel vervolgen zij hun weg. Buiten het dorp woont een jonge herderin die zij een paar keer dag bezoeken. Om steun te verlenen, zeggen ze. De dorpelingen weten beter, ze hebben seks. De jonge herderin heeft onlangs haar man verloren, een woeste wolf heeft hem gedood.
“Verdriet bindt,” zegt Wisent telkens. De dorpelingen knikken braaf, ze weten beter.

Het leven in het dorp is niet zo slecht. Er is eten, drank, leven en geluk.
De avond valt bijna, de schemer valt. Palmerijn zit bij zijn hut een brouwseltje van zijn vrouw te drinken. Hij heeft het gevoel dat er iets gaat gebeuren, een onbehagen vult zijn lichaam. Als hij opkijkt staat Wisent voor zijn neus.

“Zo, Palmerijn, je bent hier nu al een paar jaar,” begint hij, “maar de laatste tijd vind ik dat je niet meer voldoet.”
Palmerijn kijkt op, verschrikt, geschokt.
“Tja, het is beter dat je nu meteen vertrekt, we willen niet meer met je verder,” klinkt het resoluut.
“Nu? Wil je dat ik nu vertrek?” vraagt Palmerijn aarzelend.
“Ja, nu, je hut is al een ander toegewezen, dus je moet nu opsodemieteren. Neem je vrouw en huisdieren mee,” de woorden zweven door de avond.
“Maar.. maar waar moeten wij dan overnachten?”
Wisent kijkt Palmerijn aan: “Dat is nu jouw probleem. Je past hier niet meer. Je pakt je spullen en vertrekt, ik blijf wachten om je vertrek in de gaten te houden.”

Verslagen staat Palmerijn op, loopt naar binnen en pakt zijn spullen. Hij vertelt in het kort aan zijn vrouw wat er gaande is. De weinige spullen die ze hebben pakken ze in, de twee huiskonijnen die ze bezitten hobbelen braaf achter hun aan.
“Heb je nog wat te eten onderweg,” lacht Wisent.
Palmerijn laat met zijn vrouw Duna het dorp achter zich. Het is vreemd maar hij voelt zich opgelucht. Het woord verhuizing is al menigmaal gevallen de afgelopen tijd. Ondanks de schemering ziet hij een heldere horizon voor zich. Een horizon met nieuwe mogelijkheden, nieuwe kansen.

“Leef nu voor het te laat is,” heeft een goede vriend hem ooit geschreven. Een glimlach speelt om zijn mond als hij de warme hand van zijn vrouw pakt.