due cappuccini, per favore

De norse security dame op het Amsterdamse vliegveldje weerhoudt mij er niet van om een mooie tijd in Rome tegemoet te zien. Eenmaal door de bodyscan, de onderzochte rugzak, sta je tussen  wereldwijze reizigers. Krijsende Chinezen die denken dat ze de wereld bezitten, de zenuwachtige altijd-bang-voor-vliegen-mensen. De nooit-goedkope-tax-free-winkels. De Hollandse souvenirs die alleen daar te koop zijn (de klompen pantoffels, de kitscherige ijskast magneten, de flinterzachte nijntjes).
De staatsvliegmaatschappij van Italië vertrekt op tijd. Zoals altijd heerst rust in de cabine. Engels wordt amper gesproken, en als er Engels wordt gesproken is het net zo slecht als mijn Italiaans. De stoelen zijn comfortabel. De man naast mij gaat op bezoek bij zijn zoon en kleinkinderen. Zij wonen niet verkeerd daar in Rome. Bij de Via Appia. Maar elk verhaal heeft zijn keerzijde. Opa ziet zijn kleinkinderen niet opgroeien, en dat doet pijn. Hij zegt het niet, maar ik merk het wel. Klein verdriet op tienduizendmeter hoogte.

Fiumicino oogt zoals altijd. Romeins. In de bus. Toertje over het vliegveld. Koffers pakken. Bordje met naam zoeken. Taxi-man staat klaar en in een grote bus op weg naar ons verblijf. In het hartje van Rome. Na vier keer Celio, nu een keer in de wijk Prati. Vaticaan, Castel Sant’Angelo, Piazza Cavour. De Tiber (inclusief de geschiedenis van Rome op de kade gekalkt). Alles dichterbij dan dichter.
De B&B is voorzien van een ouderwetse hijsbak. Zo’n ding waarbij je elke keer afvraagt of de derde verdieping haalbaar is. Maar met een kamer aan de binnenkant van het Palazzo is het goed ontwaken in de ochtend..

Slenterend door Rome kom je altijd weer bijzondere winkels tegen. Een authentieke stoelenmaker, de wasserette, kleine groentewinkels, een markt midden in de stad. Allemaal in smalle straten, verborgen in smalle panden, waarbij de Romein (of de Sri Lankaan) zijn hoofd boven water probeert te houden. En overal, de Smart, de Fiat, de brommobiel (ja vanaf 14 jaar mag de jeugd zich hier mee voortbewegen). En koffietentjes, veel, heel veel. Voor vijftig cent een kleine espresso (aan de bar) en je hebt weer energie. Als het weer het toelaat, een ijsje. Let wel; een echt ijs. Een pistache ijs moet donkergroen zijn, niet lichtgevend groen. Bij Gelateria “Grom” hebben ze vier keer per jaar verse pistache nootjes om hun ijs te maken. Maar ook het ijs moet bedekt zijn. Geen bergen ijs in het zicht. Dat is niet goed voor het vries- en smaak proces. Zo is het prettig schuilen voor een fikse regenbui op het Piazza Navona

Zo leer je nog eens wat. En dat op een excursie dag naar Pompeï en de Vesuvius. Omringt door Amerikanen die het fantastisch vinden twee dagen in Rome te zijn, en alles van Italie te zien wat denkbaar is. De enthousiaste gidsen begonnen om 8 uur ’s morgens met hun verhaal over ’s landswijsheden en hielden om 20.00 uur ’s avonds hun mond. Bijna 500 kilometer onder de banden. Wat een avontuur.

Daar waar de gidsen vertellen over de indrukwekkende skyline van Napels, zien wij sloppenwijken opgetrokken tussen bergen huisvuil.  In twee uur tijd de overblijfselen van Pompei zien, met een ludieke gids. Na een, zeldzame, hoosbui vol regen vraagt hij: Is everybady enjoying themselves?  Ach ja Italiaanse humor. “Everytieng okay, tutti frutti, i’m here and the Pope is in Rome”. Je bent een dagje onder de mensen.

Terug in Rome een hapje eten in een Hostaria. Met echt Romeins eten, genoteerd op een kladblokje, zoals gekookt koeienpens, die lieten we even voor wat het is. De fles huiswijn, de Limoncello als drankje toe. Als ik om de rekening vraagt, schrijft Dino op het tafellaken 38 euro. Hoezo bonnen? En het avond-eten is compleet anders dan de lunch. De wijk Prati heeft het Paleis van Justitie in zich en dus veel advocatenkantoren in de buurt. En die gaan tussen de middag allemaal snel snel snel eten. Dezelfde Hostaria oogde zoals een Romeins restaurant moet zijn: overvol en complete chaos.

En dan waren er ook nog eens duizenden jonge pelgrims. In mars volgorde op weg naar een afgesloten Vaticaan. Alleen toegankelijk als je er echt wat te zoeken had. Wij wil, maar dat is het frietkot aan de andere kant. Fritto, met vers gemaakte dikke frieten, gebakken in schil. Pas ’s avonds dan waren de miljoenen toeristen ondergedoken. En lag daar het Vaticaan te pronken.

En zo hebben we weer wat geheimen van de Eeuwige Stad ontdekt. Op weg naar het vliegveld volledig bijgepraat door onze chauffeur Domenico die, wijzend naar de 8 plisieagenten bij 1 plisie-auto, opgewonden weet te vertellen dat er veel te veel van zijn, alleen maar koffie drinken, niets doen en hij maar veel belasting voor moet betalen.

En zo staan we weer op Terminal 1 van Fiumicino, daar waar de controle op zijn Italiaans is, maar er lijken veel ‘stillen’ rond te lopen. Net zoals in Rome zelf. Soms zichtbaar aanwezig: militairen met grote geweren; operazione strade sicure, op belangrijke punten. Ongemarkeerde Alfa’s her en der op straat. Ook de veiligheid heeft zijn invloed op het Romeinse leven.

De Airbus rijdt weg van de gate, maakt vaart, maakt een bocht, het gas gaat er meteen op. Alsof het een formule 1 auto is. Het vliegtuig maakt zich los van de Italiaanse bodem. We gaan weer naar huis. Op Amsterdam een strakke landing, hard in de remmen, een krachtige bocht, net geen piepende banden. Bij binnenkomst in het luchthavengebouw, staan de militairen met getrokken wapens op ons te wachten.

Ik zet mijn zonnebril af.

Welkom thuis.

selfie

“Hello, hello, selfie? Selfie? Good price,” ik loop op Piazza de Colosseo en wordt om de vier meter aangeklampt door voormalige bootvluchtelingen die wanhopig een selfie-sticks voor de schappelijke prijs van vijf euro proberen te verkopen. Als ik dan wijs naar mijn ‘ouwerwetse’ spiegelreflex en zeg ‘does not fit’, dan blijven ze roepen ‘good price good price’.

Met tientallen tegelijk lopen ze bij elk toeristische attractie rond. Bij het historische witte pand, het Pantheon, het Vaticaan, Piazza Navona. Welke piazza, fontein of park dan ook, er is geen ontkomen aan. De jongemannen die maanden door de woestijn getrokken hebben, duizenden dollars betaald hebben om zich met een gammel bootje de overtocht te wagen. Hopend, of ervanuit gaand, op een beter leven.
En dat betere leven begint met de verkoop van deze laag geprijsde zet-je-phone-op-een-stok-stick in Rome. Toeristen betalen graag het bedrag, omdat ze toch wel inzien dat je met zo’n stick ‘the bigger picture’ kunt maken. En, belangrijker, het thuisfront via insta-face-vine-snap-twittergram kunt laten zien hoe goed en leuk en lekker je het hebt, daar in Rome. Het is soms hilarisch om te zien wat mensen uithalen om het leukste plaatje te kunnen schieten. De meiden op deze pica waren bijvoorbeeld lange tijd bezig met eerst een selfie van zichzelf, daarna met zijn drieën.
Dat haar duurbetaalde iPhone wel eens van de stick dondert, deert niet, ze ging vrolijk verder. Gelukkig zit in de Rome de iPhone Kliniek. Redding is altijd nabij, ook om te beseffen op welk historische plek ze zijn. Na de geslaagde foto vertrokken ze spoorslags. Waarschijnlijk naar de Trevi fontein. Dat gaat op een teleurstelling uitlopen: de Trevi is in revisie.

Voordeel van de stick is dat je geen mede-toerist of lokale inwoner hoeft te vragen een foto te maken van je gezelschap, met het gevaar dat de ‘fotograaf’ er opeens met je duurbetaalde iPhone vandoor gaat. Met de selfie stick heb je beter controle over hoe de foto eruit komt te zien. Beter nog, hoe jij er beter op de foto uit komt te zien. Niet het Colosseum is het middelpunt, nee jij. En zo leer je snel hoe je er het voordeligst uitziet op zo’n selfie-stick pica. De selfie stick wordt ook niet voor niets de narcisten stick genoemd. Nee, de selfie is nog lang niet dood.

Dat een toerist, die alles heeft, zo’n stick koopt van iemand die niets heeft is bizar. Maar van alle tijden. Alleen dagelijks verschijnen er meer en meer en ook op de meest onverwachte plekken. Piazza Navona is onderhand een permanente rommelmarkt geworden met uitgestalde zonnebrillen, hoedjes, tassen, prulletjes.

De (illegale) straatverkoper kan elk moment opgepakt worden door de lokale politie (wat niet gebeurd) en als hij overdag niet genoeg verkoopt dan moet hij ’s avonds nog aan de bak om verlichte torentjes van Pisa te gaan verkopen. Overnachten doe je maar in het park, of in een gekraakt pand in de buitenwijken van Rome. De honderdduizenden vluchtelingen die Italië binnenkomen moeten toch ergens heen en kunnen toch wel iets doen?

De zwervende Italiaan die niets heeft schuifelt langs de straat met zijn kromme benen, of ligt op straat met een centenbakje voor zijn of haar. En Italianen zijn een sociaal volk, voor die mensen hebben ze altijd wel een eurootje over. De straatverkopers keuren ze geen blik waardig. Die zijn een prooi voor de toeristen.