…over reizen in de kerstvakantie

Het reizen met de trein is elke dag een klein avontuur. In de kerstvakantie periode ontbreken vaak de vaste forenzen. In de vroege ochtend reizen vier harde werkers richting Amsterdam. Maar op de terugweg is het een ander verhaal.

Om half zes zit de trein gezellig vol met dagjesmensen. Luitjes uit de ‘provincie’ die een dagje Amsterdam achter de rug hebben (of in de voeten).
Pubermeisjes die de grote stad hebben bezocht. De tassen van Primark. Terug naar huis. Giebelend. De smartfoon als een aangeboren item in hun handen.
De vaders die hun dochters op een dagje Amsterdam hebben getrakteerd. De gesprekken tussen deze vaders en dochters. Het is een beleving.
Hij zit daar met zijn twee dochters. Floor is de oudste en met in haar nopjes met haar Nike schoenen. Die kun je in de wasmachine stoppen, zegt ze. Nee, zegt haar jongere zusje, dat is niet goed voor die schoenen. De jongste oogt moe en legt haar hoofd op de schouder van haar vader.
Floor kijkt op haar smartfoon. Vader vraagt over het fenomeen snapchat. Geduldig en behendig legt zij uit hoe dit werkt, het toevoegen, het verzenden, zelfs het verdwijnen van de ‘snap’ die je kunt voorkomen door een ‘screenshot’ te maken.

De jongste opent haar ogen en kijkt naar de schermen van de NS in de coupe. Reclame voor de business card. Zij vraagt wat dat is.
Vader zegt dat businessclass in het vliegtuig in houdt dat je meer ruimte krijgt, betere drank en beter te eten. Floor vindt dat wel interessant en  vraagt of dat bij een baan hoort.
Nee, zegt de vader, niet standaard, maar je kunt bij je sollicitatie wel om vragen: als ik hier kom werken, wil ik wel businessclass vliegen.
Floor knikt instemmend. Maar, zegt de vader, dan moet je wel beter je best doen op school.
Vooral jij, terwijl hij haar plagend met zijn voet Floor een schopje geeft. Zij gromt, pakt haar smartfoon en snapchat nog wat verder.

De trein dendert door de tunnel bij Amersfoort. Spoor 1. We zijn er weer. Vandaag veel luitjes uit het oosten. Ze gaan verder naar Apeldoorn of Deventer. Wij, de Amersfoorters, stappen uit: de regen in.

naar huis

Na een dag prettig werken in de hosting solutions wereld is de tijd aangebroken om met mijn matties van het Spoor richting huis te gaan. De IC tussen 020 en 033 rijdt niet zo hard (“er rijdt nog een stoptrein voor ons”), maar gelukkig rijdt deze stalen geel blauwe ros snel genoeg om mijn overstap naar de stoptrein richting Zwolle te halen.

Nu is trein voor dat traject een beetje te veel eer. Vaak wordt je op transport gesteld op ene te kleine trein met teveel mensen. De NS presteert het nog altijd om op drukke tijden te weinig materieel in te zetten en op rustige tijden te lange treinen in te zetten. Een prestatie.

Deze vrijdag zie ik eindelijk een kaartcontroleur. Een gedrongen jongeman, bepakt met kogelvrij vest, handboeien en een dikke duim om zijn vest.

Hij vraagt de reizigers op het overvolle balkon om de vervoersbewijzen, ongeïnteresseerd pakt hij het van mij aan. Ik krijg het idee dat hij mij nu bij mijn nekvel pakt, mij omdraait, tegen de deur drukt, mijn benen uit elkaar schopt en in mijn oor roept: “u heeft een geldig vervoersbewijs!”

Maar niets van dit alles, snel hobbelt hij door, achterna gezeten door zijn tweede collega. Mijn mede reizigers halen opgelucht adem.

Maar gelukkig zijn dit de kaartcontroleurs die maandag het werk even stil leggen om tussen 5 uur en 9 uur te gaan nadenken over de toekomst van hun NS. Waarom de NS de verliesgevende regionale lijntjes overdoet aan derden. Met als oorzaak dat de vastgeroeste NS’ers niet meer van hun huis in Zwolle naar het station van Zwolle moeten reizen om hun werk aan te vangen. In plaats daarvan moet zij eerst naar Amersfoort of Groningen. Een uurtje met de trein.

Als ik om mij heen kijk zitten er miljoenen mensen dagelijks een uur in de trein om op hun werk te komen. Maar blijkbaar leven de NS’ers nog in het steenkolen tijdperk waarbij de man s avonds thuis komt en zwart van roet tegen zijn vrouw zegt: ‘ik heb weer lekker met de treintjes gespeeld, jammer dat er mensen meemoeten.’