Archive for juli, 2009

salvataggio

Hij zit hoog op zijn uitkijkpost en waakt over de mensen in en om het water. Er valt weinig te beleven, geen golven, geen harde wind, geen sterke stroming zee-waarts.
Dan fluit hij maar op zijn fluitje om de mensen niet op de golfbrekers te laten zitten of staan.
Niets mag.
Dan pakt hij zijn bootje en peddelt het kleine watertje op. Dobbert een beetje rond en keert weer terug.
Klimt zijn reddingstoren in, hijst de vlag en kijkt om zich heen.

Zo gaat het meestal.
Maar niet altijd.

Vandaag zit Lorenzo op de stoel. Lorenzo heeft een meisje, althans daar lijkt het naar. Meisje zit op de trap en woelt door zijn haar. Zijn rug leunt tegen haar benen. Ze hebben lol. De zon schijnt en ze lacht verleidelijk. Hij glimlacht zijn meest verleidelijke reddingsman lach.
De tijd is daar dat hij nu toch echt even zijn werk moet doen en zij schrijdt naar haar bedje met parasol.

Hij loopt het water in, daar waar het gevaar op de loer ligt: 3 jongen meiden die met heb giebelen. Hem nat gooien met het zilte zout. Hij pakt één van de ragazza’s en al stoeiend vallen ze in het water.
De andere 2 ragazze lachen zich in een deuk en vinden het maar al te opwindend. De meiden lopen voldaan door en hij pakt zijn reddingsboot en vaart het woeste water op.
Ook in het water wordt hij niet met rust gelaten. Meisjes met witte bikini’s klimmen op de boot en duiken stoer van zijn schuitje.

Later zit hij weer op zijn uitkijkpost. Een brede glimlach speelt om zijn lippen.
Voeten stampen in het zand. Meisje komt aangelopen. Pal voor zijn reddingstoren schrijft ze met grote letters in het zand: Favancullo. Met een groot rood hoofd baant ze haar weg terug naar haar lentini, briesend en opgelucht dat ze eindelijk kon schrijven wat ze wilde: dat hij eigenlijk een onwaarschijnlijk grote klootzak is.
Hij kijkt om en lacht. Schudt zijn hoofd. Loopt zijn trapje af en veegt het woord met zijn voet weg. Schrijft er wat voor in de plaats.
Meisje trippelt weer terug en vraagt zich af wat hij geschreven heeft. Ze leest, ze kijkt, hij lacht, streelt steels haar hand.
Er is nog afstand, maar voor dat de secondenwijzer 4 keer in het rond is gegaan kijkt ze hem weer aan als eerder en dan in het kwadraat: ik vreet je op, je bent van mij, ik zuig je helemaal leeg.

Niet op het strand natuurlijk.

Later.

sogno

Ik stap op de bus van de Veluwelijn in Harderwijk. Samen met een oude vriend hangen we in de beugels, maar we zijn maar met ons twee. De chauffeur, kompleet met rossige baard, ziet een nieuwe klant bij de halte.
Hij stopt voor de halte en probeert met een grote u-bocht de weg over te steken. Waarom weet niemand.
De bus is te groot en er moet ‘gestoken’ worden. Links de halte, rechts de kade.
“Dit gaat niet goed,” hoor ik mezelf zeggen en stap uit. De oude vriend blijft staan en ik zie de bus achteruitrijden. Net te ver. Achterwielen over de kade en de bus kiepert achterover de kade af. Rechtop staat de bus nu.
De baas van de Veluwelijn komt eraan: “met hem valt niet te sollen,” zeggen de omstanders. De chauffeur is ontslagen, haalt zijn schouders op.
Mijn oude vriend staat naast me: “dat heb ik nu weer.”

Even later zit ik op een rondvaartboot, ik denk Amsterdam. We meren aan en stappen uit. Het is voor een goed doel, lijkt het. Ook Maxima (ja die) is er bij. Zij mist het afstapje en valt in het water. Ze tolt in het rond, en lacht: “diet ies sjo lekker,” fluistert ze.
“Is het nu afgelopen met die fratsen, er moet wat gedaan worden,” de stem van Wouter Bos is luid en duidelijk en stuurt Maxima het water uit.
Het feest moet nog beginnen.

Ik open mijn ogen. De golven suizen, zachtjes wapperen de umbrelloni’s boven mij. De reddingsbrigade flirt met de meisjes (daarover later meer).

Het is kwart voor vijf in de middag, Cesano. En dat is geen droom, maar wel een beetje bevangen door de hitte, wellicht.

verlegen

zeggen wat ik wil
zeggen wat ik weet
zeggen wat ik voel

uitzicht op zee

zo
en nou
maar
twee
weken
kijken

(p.kouwes – daar schrik je toch van, Nieuw Amsterdam, 2008)