De deur viel langzaam in het slot. Raar dat ik van huis weg moet sluipen, dacht WeetNietVeel. Ze trok haar kleren strak, haar jasje, panty. Strikje in d’r haar.
De koets stond klaar, AliBaba, haar vaste chauffeur wachtte haar op. Hij wist de route naar haar moeder uit zijn hoofd.
Of AliBaba haar taal sprak wist ze niet. Nog nooit had ze met hem gesproken. Zijn blik was zoals altijd neutraal. Alsof hij haar niet kende.
Ze plofte in de zachte pluche kussens. Uit haar tas pakte ze haar skinny jeans en ultra hippe topje.
De koets wiebelde op zijn veren en ze kleedde zich om. Het spiegeltje in haar tas gebruikte ze om de laatste check te maken. Zit alles goed? Haar, ogen, tanden, handen, nagellak.
Ze keek naar buiten en zag haar warme groene land aan zich voorbijgaan. De zon kleurde haar land goudgeelglinsterend. Haar bloed stroomde sneller. Haar hart bonsde harder. Het was haar land.
Waar geluk groeide en welvaart voor het oprapen lag.
Dacht ze.
De koets hobbelde voort naar de stad waar haar moeder leefde, woonde en leefde. Zij leefde een echt leven, tussen echte mensen. WeetNietVeel was jaloers op haar.
Ze keek naar buiten en zag kleine huisjes voorbijgaan, de mensen zaten gezellig buiten met elkaar te praten.
Ondertussen pakte ze uit haar tas haar geheime kleren. Een spijkerbroek, en een hip shirtje. De koninklijke kledij ging uit en geoefend trok ze de ‘verboden’ kleren aan. Ze had het wel vaker zo gedaan.
De koets stopte, AliBaba stapte af en liep om het vervoermiddel. Hij klopte op de deur en wenkte dat ze naar buiten moest komen.
De deur ging open en ze rook de geur van zoete broodjes en warme koffie. Dat gaf haar een veilig gevoel.
De koetsier wees naar de achterband. Gebroken. Kaputt. Niet meer verder.
“En nu?” vroeg WeetNietVeel aan haar chauffeur. Hij haalde zijn schouders op. De mensen van de straat stonden nu om haar heen.
Ze riepen wat tegen haar, maar ze kon het niet verstaan. Wel zag ze woede in hun ogen en dat maakt haar een beetje bang.
Een meisje kwam op haar af en met de vlakke hand sloeg ze op haar gezicht. De bril viel op de grond en verschrikt keek WeetNietVeel om haar heen.
De huisjes waren geen huisjes meer maar kartonnen dozen. De blije mensen zagen er nu opeens onverzorgd en vies uit. Ze stonken.
De kring om de defekte koets, de prinses en de koetsier werd kleiner. De sfeer onaangenaam. Een groene fluim belandde op haar gezicht.
“Je mag er dan wel als één van ons uitzien,” hoorde ze een rauwe stem, “maar je blijft één van hullie!” De mensen schreeuwden en joelden. Angstig keek ze naar AliBaba, die net zo verschrikt keek, maar zich door de menigte liet opnemen. Hij verdween uit beeld.
WeetNietVeel werd nu wel heel erg bang. Haar handen trilden van spanning.
“Okay luitjes, zo is het genoeg geweest,” een onbekende zachte stem klonk uit de onrustige menigte en iedereen ging opzij. Een jongeman trad naar voren.
Hij stak zijn hand uit en zei: “Dag jongedame, ik ben Augustinus WeetHeelVeel. Jij bent toch dat prinsesje van verderop?” Zijn stem was zangerig, vond ze.
“Euh ja, maar, nu ben ik gewoon onder de mensen,” antwoordde ze.
De menigte lachte. Augustinus pakte haar bril van de grond en gaf die aan haar. Aarzelend werd de bril op de neus gezet en de kartonnen dozen werden weer huisjes.
Ergens klopte er iets niet, dacht ze. Augustinus zag dat en glimlachte: “zie je beter met of zonder bril?”
Een verlegen glimlach speelde om haar mond. Hij pakte haar bril weer af en gooide die ver weg.
“Die heb je niet meer nodig,” zei hij resoluut.
WeetNietVeel keek om haar heen en vroeg waarom iedereen in de kartonnen dozen zat. Augustinus lachte: “Je doet je naam eer aan, nooit gehoord van een kredietcrisis, iedereen met veel minder geld, een slappe regering, onrust, oproer?” Hij schudde zijn hoofd.
De buitenwereld was vreemd voor haar. Eigenlijk hoorde ze er niets over.
“Maar jij gaat toch op weg naar je moeder?” Augustinus pakte haar hand en trok haar naar zich toe.
Zijn magere lijf was broos, maar op de één of andere manier toch sterk. Zijn zwarte ogen keken haar spottend aan.
“Hoe weet je dat,” vroeg ze.
“Wij weten hier alles, we zijn wel arm, maar niet dom.” de menigte lachte.
Van een afstand aanschouwde het het tafereel. Ze wist niet dat hij haar kon volgen, omdat het zendertje in haar favoriete oorbelletje zo klein was, niemand kon dat zien.
Hij wendde zijn ogen af van het kleine schermpje en keek hoe zij met de onbekende man door de menigte liep.
Niet dat hij jaloezie voelde, maar hij wilde wel heel graag weten wat ze in haar schild voerde.
Ze liep daar tussen de arme sloebers naar een hele oude bestelbus, daar woonde die gozer zeker, dacht hij.
Uiteindelijk zou ze hem brengen waar hij wilde zijn: zijn moeder.
Dan kon de echte afrekening beginnen.
Hij trok de pet dieper over zijn voorhoofd, schouders omhoog en langzaam liep hij achter de twee aan.